marijuana-269851_640Verhuurders van woonhuizen en bedrijfspanden worden steeds vaker geconfronteerd met illegale hennepkwekerijen. Illegale hennepkwekerijen zijn een gevaar voor de omgeving. Ze veroorzaken brand en wateroverlast, waardoor verhuurders vaak blijven zitten met een flinke schadepost. Kunnen verhuurders deze schade verhalen op hun verzekeraars? Op 7 oktober jl. heeft het gerechtshof Den Haag een interessante uitspraak gedaan, waarbij het gerechtshof uitvoerig is ingegaan op het begrip “onvoorzien” in polisvoorwaarden. De les die uit dit arrest voor verzekeraars kan worden getrokken is dat zij meer duidelijkheid zouden moeten geven over bepaalde begrippen in de polis, bijvoorbeeld door een omschrijving of toelichting op te nemen in de polis. Het uitblijven hiervan kan nadelige gevolgen hebben voor verzekeraars. De feiten waren als volgt.

Zeijlemaker is eigenaresse van een pand, bestaande uit een winkel met bovenwoning. De bovenwoning is door Zeijlemaker verhuurd. Zeijlemaker heeft het pand verzekerd bij Aegon voor, onder meer, waterschade. Een half jaar na het sluiten van de verzekering is er vanuit de bovenwoning water gestroomd, waardoor het pand waterschade heeft opgelopen. Gebleken is dat er een illegale hennepkwekerij aanwezig was op de zolder van de bovenwoning. De exacte oorzaak van de waterschade is niet komen vast te staan.

Aegon heeft geweigerd dekking te verlenen voor de door Zeijlemaker onder de verzekering geclaimde schade. Zeijlemaker heeft hierop Aegon gedagvaard, en gevorderd dat Aegon wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade (een bedrag van € 133.133,67) met rente en kosten.

De rechtbank heeft de vordering van Zeijlemaker afgewezen, omdat de aanwezigheid van de hennepkwekerij op de zolderverdieping een omstandigheid vormt die voor rekening van Zeijlemaker dient te blijven, nu het Zeijlemaker is geweest die de bovenwoning aan een bepaald persoon heeft verhuurd. Daarbij is volgens de rechtbank niet relevant of Zeijlemaker wist of behoorde te weten van de aanwezigheid van de hennepkwekerij.

Volgens de rechtbank is de aanwezigheid van de hennepkwekerij een wijziging van de bestemming van het pand. Deze wijziging heeft een risicoverzwaring tot gevolg heeft gehad. Aegon zou op de verzekering hebben beëindigd indien zij van de bestemmingswijziging op de hoogte was gesteld, aldus de rechtbank. Zeijlemaker is in hoger beroep gekomen.

Van belang is artikel 5.4 van de polisvoorwaarden. In dit artikel is bepaald dat de verzekeringnemer een bestemmingswijziging binnen 60 dagen na het optreden ervan dient te melden, tenzij verzekeringnemer van het optreden van de wijziging niet op de hoogte was en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn. Zeijlemaker stelt niet op de hoogte te zijn geweest van de hennepkwekerij op de door haar verhuurde zolder.

Verzekeraar Aegon voert aan dat Zeijlemaker redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de hennepkwekerij, nu zij een professionele partij is en zij twee duidelijke signalen had gekregen dat het pand werd gebruikt als hennepkwekerij of voor een ander illegaal doel. Daarbij noemt Aegon als eerste signaal de omstandigheid dat de huurder, die zei dat hij de bovenwoning wilde gaan bewonen met zijn gezin, het niet nodig vond dat de woning eerst werd verbouwd. Dit was volgens Aegon opmerkelijk, aangezien het pand in het verleden in gebruik was geweest als bordeel. Als tweede signaal noemt Aegon de omstandigheid dat de huurder bij het aangaan van de huur had aangegeven dat hij “iets met een reclamebedrijf of iets dergelijks” vanuit de bovenwoning wilde gaan runnen. Deze twee omstandigheden hadden volgens Aegon voor Zeijlemaker aanleiding moeten zijn om nader onderzoek in te stellen naar het daadwerkelijk gebruik van de woning door de huurder.

Het hof verwerpt dit verweer. De enkele feiten dat de huurder aangaf dat hij een verbouwing door Zeijlemaker niet nodig vond, maar liever een lager huurprijs wilde, en dat hij van plan was om vanuit zijn woning een bedrijfje te beginnen, acht het hof onvoldoende voor het oordeel dat Zeijlemaker redelijkerwijs had moeten twijfelen aan de (legale) bestemming die de huurder met de bovenwoning voor ogen had.

Wat betreft de verbouwing heeft Aegon geen concrete feiten of omstandigheden gesteld betreffende de staat, de indeling of de inrichting van de bovenwoning op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat deze uitsluitend na een verbouwing geschikt kon worden gemaakt als woonruimte. Het enkele feit dat de bovenwoning in het verleden in gebruik was geweest als bordeel, is hiervoor zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende.

Het hof is dan ook van oordeel dat de door Aegon genoemde omstandigheden geen signalen waren op grond waarvan moet worden geoordeeld dat Zeijlemaker had moeten twijfelen aan de goede intenties van de huurder, en nader onderzoek had moeten instellen door bijvoorbeeld een keer bij zijn huurder op bezoek te gaan.

Aegon heeft nog een tweede verweer aangevoerd. Volgens Aegon zou de door Zeijlemaker geleden waterschade niet zijn gedekt onder artikel 2 van de polisvoorwaarden.

In artikel 2 van de toepasselijke polisvoorwaarden is de omvang van de dekking, voor zover hier relevant, als volgt omschreven:

2. De verzekering dekt materiële schade aan het gebouw door een hierna omschreven gebeurtenis (…).

2.9 Waterschade ontstaan door het onvoorzien stromen van water en stoom uit:

a. binnen en buiten het gebouw gelegen aan- en afvoerleidingen;

b. op die aan- en afvoerleidingen aangesloten installaties en toestellen;

c. een verwarmingsinstallatie e/o gecertificeerde sprinklerinstallatie;

d. aquaria of met water gevulde zit-/slaapmeubelen, indien het gevolg van een plotseling opgetreden defect.

(…)

De bewijslast dat de waterschade aan het pand is gedekt onder artikel 2 van de polisvoorwaarden rust op Zeijlemaker. Partijen zijn het er over eens dat de waterschade naar alle waarschijnlijkheid verband houdt met de aangetroffen hennepkwekerij op zolder. De exacte oorzaak van de waterschade heeft men echter niet met zekerheid kunnen vaststellen. In de procedure worden meerdere mogelijke schadeoorzaken genoemd, waaronder

  1. het losschieten van een waterslag bij de vulkraan op zolder,
  2. het overlopen van een watervat, met behulp waarvan de hennepplanten zoveel mogelijk “automatisch” kunnen worden geïrrigeerd en
  3. de mogelijkheid dat iemand die betrokken was bij de hennepkwekerij vergeten is om de kraan dicht te draaien.

In het uitvoerige arrest heeft de hof de drie mogelijke schadeoorzaken besproken, waarbij het hof de polisvoorwaarden heeft uitgelegd.

Wat betreft mogelijkheid 1. het losschieten van een waterslang bij de vulkraan op zolder, als gevolg waarvan er enige uren water uit deze kraan is gestroomd overweegt het hof dat sprake is van water dat stroomt uit een binnen het gebouw gelegen leiding als bedoeld in artikel 2.9 onder a van de polisvoorwaarden.

Wat betreft mogelijkheid 2. het overlopen van een watervat, met behulp waarvan de hennepplanten zoveel mogelijk “automatisch” kunnen worden geïrrigeerd, overweegt het hof dat sprake is van een op de waterleiding aangesloten installatie of toestel als bedoeld in artikel 2.9 sub b van de polisvoorwaarden. Het onvoorzien overlopen van een dergelijk watervat is derhalve gedekt onder de polis.

Wat betreft tenslotte mogelijkheid 3. De mogelijkheid dat iemand die betrokken was bij de hennepkwekerij vergeten is om de kraan dicht te draaien, overweegt het hof dat sprake is van water dat stroomt uit een binnen het gebouw gelegen leiding als bedoeld in artikel 2.9 onder a van de polisvoorwaarden.

De polisvoorwaarden spreken echter ook van het “onvoorzien” stromen van water. In het arrest heeft het hof dan ook veel aandacht besteed aan de uitleg van het begrip “onvoorzien” zoals is opgenomen in artikel 2 van de polisvoorwaarden. Wat dient er te worden verstaan “onvoorzien”? Het hof verwijst uitvoerig naar eerdere jurisprudentie, zowel van de (toenmalige) Raad van Toezicht Verzekeringen als van rechtbanken en gerechtshoven. Voor professionals die veel van doen hebben met polisvoorwaarden is het bestuderen van dit gedeelte van de uitspraak van het hof absoluut een aanrader.

Het hof hecht er belang aan dat Zeijlemaker voor of bij het sluiten van de verzekering niet met Aegon en/of de tussenpersoon heeft gesproken over de omvang van de dekking van waterschade onder artikel 2 van de polis. Volgens het hof komt het bij de uitleg van het begrip “onvoorzien” in de onderhavige polisvoorwaarden (aan de hand van de Haviltexmaatstaf) met name aan op een taalkundige uitleg van dit begrip. Daarbij geldt tevens als gezichtspunt dat de polisvoorwaarden (eenzijdig) door Aegon zijn opgesteld. Aegon heeft in de polisvoorwaarden geen toelichting gegeven op het begrip “onvoorzien”.

Zeijlemaker heeft betoogd dat het uitstromen van water uit een kraan waarvan een slang is losgeschoten of die door een huurder open is gelaten, voor haar wel degelijk “onvoorzien uitstromen van water” was, zoals bedoeld in de polisvoorwaarden, en dat het aan Aegon is, als professionele verzekeraar en opsteller van de polisvoorwaarden, om aan de verzekerde duidelijkheid te verschaffen omtrent de begrippen in haar polisvoorwaarden. Het hof deelt dit standpunt van Zeijlemaker.

Het hof stelt vast dat de taalkundige betekenis van het woord “onvoorzien” in het maatschappelijk verkeer gelijk wordt gesteld aan “onverwacht”, “onverhoeds”, “plotseling”.

Zeijlemaker heeft het begrip “onvoorzien” in de polisvoorwaarden aldus mogen begrijpen, dat waterschade aan haar pand die zij in haar hoedanigheid van verzekerde niet verwachtte en ook redelijkerwijs niet heeft hoeven te verwachten gedekt is onder de polis. De onderhavige waterschade voldoet aan dit criterium. Voor zover Aegon een striktere uitleg van het begrip “onvoorzien” bepleit, is het hof van oordeel dat het aan Aegon was en is om haar polisvoorwaarden op dit punt te verduidelijken. Nu zij dit niet heeft gedaan, komt de onduidelijkheid van het begrip “onvoorzien” voor haar rekening.

De door Zeijlemaker geleden waterschade is derhalve gedekt onder de polis.

De les uit dit arrest voor verzekeraars is dat zij meer duidelijkheid zouden moeten geven over bepaalde begrippen in de polis, bijvoorbeeld door een omschrijving of toelichting op te nemen in de polis. Het uitblijven hiervan kan nadelige gevolgen hebben voor verzekeraars.

Gerechtshof Den Haag, 7 oktober 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3101