In een arrest van 22 maart 2013 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de aansprakelijkheid van een financieel adviseur. Uit dit arrest blijkt dat op een financieel adviseur een zorgplicht kan rusten ook in de situatie dat er geen sprake is van een contractuele adviesrelatie. De feiten waren als volgt.

Mevrouw R. en de financieel adviseur zijn met elkaar in contact gekomen in 2001. De financieel adviseur dreef toen een verzekerings- en hypotheekkantoor. Dit kantoor heeft de financieel adviseur aanvankelijk in de vorm van een eenmanszaak gedreven en vervolgens vanuit een of meer besloten vennootschappen, waarvan de financieel adviseur direct of indirect bestuurder en enig aandeelhouder was.

Het kantoor heeft sinds 2001 voor mevrouw R. bemiddeld bij de totstandkoming van enkele verzekeringen en een hypotheek en bij het onderbrengen van beleggingen.

In 2004 heeft één van de hiervoor genoemde vennootschappen van de financieel adviseur de aandelen in een bestaand makelaarskantoor overgenomen. Die vennootschap werd ook de bestuurder van dit makelaarskantoor.

In 2005 kreeg mevrouw R. de beschikking over een bedrag van € 200.000,–. Zij heeft hierover gesproken met de financieel adviseur. Nadien heeft mevrouw R. met het makelaarskantoor (waarvan de bestuurder een vennootschap van de financieel adviseur was) een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij zij het bedrag van € 200.000,– aan het makelaarskantoor leende, aflossingsvrij en tegen een achteraf te betalen rente van 6% per jaar.

De financieel adviseur heeft de overeenkomst van geldlening namens het makelaarskantoor ondertekend. Een aantal jaren later is de overeenkomst in die zin gewijzigd dat het rentepercentage werd teruggebracht tot 2,6% per jaar en dat maandelijks zou worden afgelost.

Tot aflossing is het echter nauwelijks gekomen. In 2007 wordt het makelaarskantoor failliet verklaard. Er was toen slechts € 25.000,00 afgelost.

Mevrouw R. probeert het aan het makelaarskantoor geleende geld te verhalen op de financieel adviseur. Volgens mevrouw R. heeft de financieel adviseur onrechtmatig jegens haar gehandeld doordat hij haar voorafgaand aan de totstandkoming van de geldlening ten behoeve van zijn eigen belangen mevrouw R. welbewust heeft blootgesteld aan risico’s van de geldlening die zij niet had willen lopen indien zij die had gekend, zonder haar over die risico’s te informeren.

De financieel adviseur heeft zich verweerd met de stelling dat hij in 2005 weliswaar met mevrouw R. heeft gesproken over de lening aan het makelaarskantoor, maar dat het niet ging om adviesgesprekken. Deze hadden immers plaatsgevonden in 2001. De rechtbank heeft dit verweer verworpen en de vordering toegewezen. Het hof heeft de vordering alsnog afgewezen. Volgens het Hof heeft mevrouw R. niet bestreden dat de financieel adviseur bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening eerder als bemiddelaar heeft opgetreden. Kort gezegd zou van een adviestaak geen sprake zijn geweest, aldus het Hof. Mevrouw R. heeft vervolgens cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt dat de omstandigheid dat de financieel adviseur in opdracht van mevrouw R. in 2001 over financiële kwesties heeft geadviseerd vanuit zijn kantoor, onverlet laat dat hijzelf in 2005 bij de totstandkoming van de geldlening jegens mevrouw R. kan hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

De Hoge Raad hecht belang aan het feit dat de financieel adviseur als adviseur van mevrouw R. was opgetreden en dat mevrouw R. hem juist met het oog op die hoedanigheid, en vanwege het vertrouwen dat zij in hem stelde, had benaderd met het verzoek haar te adviseren over de belegging van het bedrag van € 200.000,–. Hierdoor rustte op de financieel adviseur een zorgplicht haar duidelijk te wijzen op de risico’s die aan de, pas tijdens het gesprek voorgestelde en toen ook direct in een overeenkomst vastgelegde, geldlening aan mevrouw R. waren verbonden, dan wel haar naar een andere adviseur te verwijzen.

Deze zorgplicht bestond ook nog indien het voor mevrouw R. uit de gang van zaken tijdens het gesprek duidelijk was geworden dat de financieel adviseur bij deze aangelegenheid voor het makelaarskantoor optrad. De financieel adviseur had zich de belangen van mevrouw R. moeten aantrekken.

De zaak is door de Hoge Raad doorverwezen naar een ander Hof, welke zal moeten vaststellen of de financieel adviseur een zorgplicht heeft geschonden. Dat op een financieel adviseur een zorgplicht kan rusten ook in de situatie dat er geen sprake is van een contractuele adviesrelatie is nu duidelijk.

Hoge Raad, 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6759