Fotografie Rick AkkermanHet gerechtshof Amsterdam heeft op 5 augustus 2014 een uitspraak gedaan over een autoverzekering. Uit deze uitspraak blijkt maar weer dat het onjuist informeren van verzekeraars grote gevolgen kan hebben.

De feiten in deze zaak waren als volgt.

Een particulier heeft bij Proteq een autoverzekering op basis van cascodekking afgesloten voor zijn auto. Op 4 augustus 2008 heeft de verzekerde een aanrijding met de auto gehad, waardoor schade is ontstaan. De door Proteq ingeschakelde schade-expert heeft de schade aan de linkerzijde van de auto begroot op € 2.850,29 en aan de achterzijde van de auto op € 950,05. De schade aan de linkerzijde van de auto is een maand later hersteld. De geclaimde schade met betrekking tot de achterzijde van de auto is niet gerepareerd en is ook niet door Proteq niet vergoed.

Vier dagen na de reparatie heeft de verzekerde bij de politie aangifte gedaan van diefstal en brandstichting van de auto. De auto werd vervolgens door de politie volledig uitgebrand in een park in Zoetermeer aangetroffen. Op verzoek van Proteq heeft verzekerde op 13 september 2008 een “verklaring ter zake diefstal voertuig” ingevuld en ondertekend. Op de vraag in de verklaring of het voertuig in het verleden schade heeft gehad, heeft verzekerde “Ja” geantwoord en de vraag of deze schade is gerepareerd heeft hij eveneens met “Ja” beantwoord.

In opdracht van Proteq heeft een schade-expert de schade begroot op € 16.500,–, zijnde de dagwaarde van de auto kort voor de diefstal en brandstichting.

Proteq heeft echter geweigerd deze schade te vergoeden, nu volgens haar sprake is van fraude. Volgens Proteq is zij op grond van artikel 13b van de polisvoorwaarden niet gehouden tot uitkering omdat verzekerde in strijd met de waarheid in de “verklaring ter zake diefstal voertuig” heeft vermeld dat de auto schadevrij was, terwijl de schade aan de achterzijde van de auto niet was gerepareerd.

Verzekerde laat het er niet bij zitten en heeft Proteq gedagvaard. De rechtbank volgt echter het verweer van Proteq en wijst de vordering van verzekerde af.

Verzekerde gaat in hoger beroep en stelt dat Proteq zich niet mag beroepen op de polisvoorwaarden. Volgens verzekerde is het algemeen bekend dat eenzijdig opgelegde voorwaarden niet worden gelezen door verzekerden. Proteq had de achtergrond van de vragen in de “verklaring ter zake diefstal voertuig” moeten verduidelijken. Bovendien was Proteq op de hoogte van de schade ten gevolge van de aanrijding, aldus verzekerde. Ook stelt verzekerde dat hij niet de opzet had Proteq te benadelen. Het ging om een geringe schade. Van fraude zou geen sprake zijn.

Het gerechtshof Amsterdam gaat echter niet mee in de stellingen van de verzekerde. Volgens het gerechtshof is het niet relevant of de polisvoorwaarden zijn gelezen door verzekerden, deze zijn van toepassing op de verzekering.

Ook oordeelt het gerechtshof dat verzekerde  in de `verklaring ter zake diefstal voertuig` ten onrechte en in strijd met de waarheid heeft ingevuld dat de schade uit het verleden was gerepareerd. Het gerechtshof vindt het bedrag ad € 950,05 geen geringe schade. Ook oordeelt het gerechtshof dat de in de `verklaring ter zake diefstal voertuig` opgenomen vragen voldoende duidelijk zijn. Proteq behoefde de vragen niet verder te verduidelijken of verzekerde te waarschuwen of anderszins te wijzen op de gevolgen van het onjuist invullen van de verklaring.

Dat verzekerde de schade ten gevolge van de aanrijding van 4 augustus 2008 bij Proteq had gemeld en dat Proteq van deze schade op de hoogte was of had kunnen zijn, neemt niet weg dat verzekerde gehouden was de `verklaring ter zake diefstal voertuig` op juiste wijze in te vullen en te vermelden dat de schade aan de achterzijde van de auto niet was gerepareerd.

Nu Proteq op grond van artikel 13b van de polisvoorwaarden gerechtigd was dekking te weigeren, is het hof, gelijk de rechtbank, van oordeel dat de vordering van verzekerde niet kan worden toegewezen.

Ik vraag me af of deze ‘strenge’ uitspraak in overeenstemming is met de wettelijke regeling. In de wet is geregeld dat een verzekerde verplicht is binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke van belang zijn voor de beoordeling door de verzekeraar. Indien een verzekerde deze verplichting niet is nagekomen, kan de verzekeraar het vervallen van het recht op uitkering alleen bedingen voor het geval hij daardoor in een redelijk belang is geschaad.

In welk belang is Proteq geschaad, omdat de verzekerde heeft gemeld dat de auto schadevrij was, terwijl de schade aan de achterzijde van de auto niet was gerepareerd? Na aangifte van de diefstal werd de auto immers volledig uitgebrand aangetroffen en heeft de schade-expert de schade begroot op de dagwaarde, waarbij het feit dat een reparatie wel of niet is uitgevoerd niet van belang lijkt te zijn. Door de verzekerde is dit in ieder geval niet aangevoerd in de procedure. Deze rechtspraak houdt ons in ieder geval scherp en de les is duidelijk: informeer de verzekeraar altijd juist en volledig en stel altijd (schriftelijk!) vragen bij twijfel. Beter te veel gevraagd dan geen uitkering.

Gerechtshof Amsterdam, 5 augustus 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3558